Wat plaats ik in de matrix?
Verdachten en onderzoeksmarkers delen één matrix. Plaats precies één element in iedere rij en iedere kolom. Gewone objecten en vaste sporen bezetten zelf geen rij of kolom.
Met deze vier kernregels kun je meteen aan ieder dossier beginnen. Ze maken het verschil tussen matrixelementen, objecten, tijdvensters en matrixrelaties duidelijk.
Verdachten en onderzoeksmarkers delen één matrix. Plaats precies één element in iedere rij en iedere kolom. Gewone objecten en vaste sporen bezetten zelf geen rij of kolom.
In een objectaanwijzing betekenen formuleringen als “zat op”, “stond naast” en “droeg” dat het element in hetzelfde vak als het afgebeelde object komt. Het betekent daar dus niet: een aangrenzend vak.
Een alibi buiten het moordvenster heeft geen invloed op de matrixplaatsing. Los eerst de matrix op en vergelijk pas daarna de alibivensters met het moordvenster.
Voorbeeld: bij 21:00–21:15 overlapt ook een alibi dat eindigt om 21:00 of begint om 21:15. Begin- en eindtijd tellen mee.
Nee. Afstanden, richtingen en aangrenzende vakken gaan over vakcoördinaten. Twee vakken direct horizontaal of verticaal naast elkaar blijven matrixaangrenzend, ook met een muur of deur ertussen. Diagonale vakken tellen niet als aangrenzend.
Begin gerust meteen met speuren. De overige vragen hieronder zijn alleen bedoeld als naslagwerk. Raadpleeg ze wanneer je tijdens een dossier ergens tegenaan loopt of twijfelt hoe een aanwijzing moet worden gelezen.
Een verdachte of onderzoeksmarker die je zelf in de matrix plaatst. Een matrixelement bezet één rij en één kolom.
Ja. Het object is een visuele plaatsingsaanwijzing en bezet het vak niet zelf. Het matrixelement komt juist in het vak met het genoemde object.
Een gewoon object helpt een verdachte of marker plaatsen. Een vast spoor staat al op de kaart en wordt pas tijdens de einddeductie onderzocht als mogelijk bewijs. Geen van beide bezet een rij of kolom.
Nee. In de huidige dossiers hebben vaste sporen een eigen vak en overlappen ze niet met een verdachte of onderzoeksmarker.
Ja. Iedere zone bevat één getekend vast spoor. De forensische aanwijzing bepaalt welk spoor het doorslaggevende bewijs is.
Dan zijn alle vakken met dat object aanvankelijk mogelijke posities. Gebruik andere aanwijzingen en de regel van één element per rij en kolom om mogelijkheden weg te strepen.
Ja. Een objectnaam, rij, kolom, richting, afstand of zone kan een positie uitsluiten. Let wel op de speciale conventie: handelingen als “stond naast” koppelen binnen een objectaanwijzing aan het object in hetzelfde vak.
Ja. Noteer dan eerst de mogelijke relatie. Zodra een van beide elementen is geplaatst, kun je de aanwijzing opnieuw gebruiken om de ander te beperken.
Nee. Aangrenzend betekent direct horizontaal of verticaal naast elkaar, tenzij een aanwijzing uitdrukkelijk over een diagonaal spreekt.
“Ten noorden” betekent in een hogere gelegen rij; “ten westen” betekent in een kolom links daarvan. De vakken hoeven niet dezelfde kolom of rij te delen, tenzij dat uitdrukkelijk wordt vermeld.
Een matrixstap is één vak horizontaal of verticaal. De afstand is het totale verschil in rijen plus het verschil in kolommen. Muren en deuren veranderen die afstand niet.
Twee vakken liggen op dezelfde diagonaal wanneer het verschil in rijen even groot is als het verschil in kolommen.
Ze helpen vooral bij het bepalen van WAAR: de juiste plaats-delictzone. Ze blokkeren geen matrixafstand, richting of aangrenzendheidsrelatie.
Ja. In de huidige dossiers ligt het doorslaggevende bewijs bewust buiten de plaats-delictzone. Bepaal WAAR en BEWIJS daarom afzonderlijk.
Ja. De verklaring blijft nodig om het element in de matrix te plaatsen. Het tijdvenster wordt pas daarna gebruikt om te bepalen wie als dader mogelijk blijft.
Die verdachte valt af bij de uiteindelijke selectie voor WIE, maar blijft gewoon onderdeel van de reeds opgeloste matrix.
Ja. Iedere overlap telt. Ook wanneer alleen de begin- of eindtijd exact gelijk is, blijft de verdachte in de tijdselectie mogelijk.
Dat is de bedoeling. De tijdselectie alleen wijst de dader niet aan. Je kruist haar met de ruimtelijke matrixvoorwaarde; alleen de doorsnede levert één naam op.
Los eerst de volledige matrix op. Bepaal daarna WAAR via het locatieonderzoek, BEWIJS via de forensische relatie en ten slotte WIE door de ruimtelijke kandidaten met de overlappende alibi’s te kruisen.
Zoek de zone die overeenkomt met M1, de locatie-index, en controleer de genoemde eigenschappen zoals buitenrand, raam en aantal zichtbare deuren.
Gebruik M2, het forensische meetpunt, en pas de genoemde afstands-, richtings-, zone- of diagonaalrelatie toe op de vaste sporen. Precies één spoor hoort te voldoen.
Maak eerst de selectie verdachten die aan de matrixvoorwaarde ten opzichte van het bewijs voldoet. Kruis die selectie met de verdachten wier alibivenster het moordvenster overlapt. Eén verdachte blijft over.
Nee. Beide selecties horen meerdere kandidaten te bevatten. Alleen de kruising van ruimte en tijd maakt de dader uniek.
Zoek het element met de minste kandidaatvakken of een rij of kolom waarin nog maar één positie vrij is. Controleer daarna alle relatieve aanwijzingen opnieuw.
Je mag mogelijkheden noteren, maar de bedoelde en betrouwbaarste volgorde is eerst de volledige matrix en daarna de einddeductie.
Nee. Iedere gewone zaak in Volume I is zelfstandig oplosbaar. Archiefnotities veranderen de lokale oplossing niet en zijn niet nodig om het dossier te sluiten.
Vergelijk niet alleen de naam van de dader. Controleer ook de volledige matrixplaatsing, de plaats-delictzone, het gekozen bewijs en de beslissende kruising met het alibivenster.